De Oorspronkelijke Boodschap van de Islâm

 

Door Farid Gabteni

 

– In het Arabisch hebben de woorden ‘wereld’ en ‘geleerde’ (Σâlam en Σâlim) dezelfde wortel, (Σ-L-M), de wetenschap, het kennen en de kennis. De wereld is nauw verbonden met het kennen en de objectieve kennis die we ervan hebben; het bestaat slechts door deze essentiële informatie. De werkelijke wereld kan niet anders aangenomen worden dan door wetenschappelijke kennis, elke ontkenning ervan is subjectief; het resultaat bestaat dan uit mythen en legenden, synoniem aan fetisjisme en bijgeloof. Zo hebben de oude volkeren, op wat uitzonderingen na, prachtige, speculatieve fantasiewerelden ontworpen, zonder werkelijke wetenschappelijke basis, maar zij beschikten over een bijzonder ontwikkeld bewustzijn dat de wereld een betekenis en een doel had, en dat spreekt voor hen. Het is dit feit dat de oorzaak is van het wetenschappelijk onderzoek en van de resultaten die wij tot op vandaag de dag vaststellen.
– In het Arabisch hebben de woorden ‘verzekering’, ‘geloof’ en ‘overtuiging’ (îmân, إیمان) dezelfde bron (A-M-N): verzekering, zekerheid, geborgenheid. In de taal van de Korân wordt het geloof bevestigd door het kennen, door zekerheid te scheppen en te verzekeren; het gaat verder dan een vaag en relatief geloof. God Is Evident. Rationeel kunnen wij niet anders dan dit getuigen; en de getuigenis moet afgelegd worden met kennis, vanuit een volle wetenschap en het geweten. De gelovige, wat ik vertaal met ‘de verzekerde’, is zeker en voelt zich zeker, omdat hij is onderwezen in het Feitelijk Bestaan van God; zo wordt zich zeker voelen tot zekerheid, verzekering en verzekerd zijn (mu’min, مؤمن).
– In het Arabisch drukt het woord ‘religie’ (dîn, دین) de gevoelens uit van aanpassing, verplichting, plicht en schuld. In dit geval zijn wij het geloof schuldig aan God; daarom vertaal ik religie met geloof.
– In het Arabisch hebben de woorden ‘onrecht’ en ‘duisternis’ (ẓulm, ẓulmah, ظﻠم ظﻠﻤﺔ ) dezelfde oorsprong (Z-L-M). Een logica die inherent is aan de Arabische taal legt het verband tussen onrecht en duisternis: in de duisternis handelen we zonder recht, we manoeuvreren blindelings, we verplaatsen zaken op incorrecte wijze, we wijken af, we dwalen en we zwerven; net als in het duister, want dan is alles duister, het past zich aan en handelt verkeerd, het wordt zelf duister. Daarom heb ik het woord onrecht steeds vertaald met duister.
Etymologisch gezien betekent Islâm (الإسلام) in het Arabisch Vrede: de handeling van het vrede stichten, van het opbouwen, het herstellen en het handhaven van de vrede; de onderworpenheid aan de vrede met God. De Islâm zorgt voor de totstandkoming van vrede (al-silm, al-salâm, السّلم السّلام). Wie zich onderwerpt aan God wordt vredestichter (yuslim, يسلم), brengt de onzekerheid van zijn geest, het gevoel van opstandigheid in zichzelf en om hem heen tot een einde. Hij is tot vrede gekomen, de Moslim (muslim, مسلم): hij streeft naar rust, zekerheid en kalmte (mussâlim, مسالم). Hij heeft geen problemen, zoekt die ook niet en is niet opstandig. Daardoor verwerft hij een vredig (salîm, سليم), gezond en heilig hart en heeft hij vrede met God en diens Schepping.
De historische context van de opkomst van de Islâm heeft enkele zaken gemeen met onze eeuw. Evenals vandaag de dag werd de gekende wereld in het begin van de zevende eeuw gedomineerd door antagonistische machten, het Perzische en Byzantijnse rijk. Er bestonden andere beschavingen, zoals de grote volken van India en China, zonder de voormalig Colombiaanse beschavingen te vergeten, andere rijke landen en andere arme landen. Er waren ook beschadigde volken en stammen die sinds eeuwen vasthielden aan hun eigen levenswijze, zoals nu ook sommige groepen aan de rand van de beschaving leven.
De filosofische en religieuze overtuigingen van de stammen uit Arabië waren zeer ouderwets in vergelijking met de bestaande religies, of die nu monotheïstisch waren, zoals het jodendom, het christendom en het zoroastrisme, die verspreid waren over de hele gekende wereld, tot in de meest afgelegen regio’s in de woestijn van Arabië, of dat deze polytheïstisch waren, zoals het taoïsme, het shintoïsme, het hindoeïsme of het boeddhisme…
Het polytheïsme en de afgoderij die in overwegende mate voorkwamen binnen stammen in Arabië waren van die aard dat men de beeltenissen van de goden als goddelijk zag en deze ook als zodanig personifieerde. Zelfs als de aanhangers geloofden in een soort oppergod dan was deze niet per se superieur en moest hij concurreren met lagere goden die soms zelfs meer vereerd werden. De mate waarin de stammen in Arabië waren ontwikkeld was dus ver achtergebleven bij de beschavingen van die tijd.
De historische, religieuze en socioculturele context waarin Mohammad, Zegel der Profeten, leefde (570-632), is vergelijkbaar met die van Abraham, vader der moslims. Hij leefde in een tijd waarin mensenoffers, en met name die van kinderen, niet zeldzaam waren. In het Arabië van het begin van de zevende eeuw moesten sommigen hun eigen kinderen doden uit armoede. Anderen begroeven hun dochters levend, uit schaamte of angst voor schande, vooral wanneer zij de eerstgeborenen waren. Het gebeurde ook dat een eerste of laatstgeboren zoon geofferd werd vanwege een belofte die aan een afgod gedaan werd. De Islâm is dan ook ontstaan op een plaats waar veel duisternis en onwetendheid was, in de woestijn.
In het begin was er een man, Mohammad, die de afgoden weerzinwekkend vond. Hij kreeg al snel bijnamen, zoals de zekerheidsgever of de betrouwbare. Aan hem werd door God de Openbaring geschonken door tussenkomst van de Engel Gabriël (Jibrîl). Mohammad verbleef in de grot Ḥirâ’ waar hij al vijf jaar toevlucht zocht tijdens de maand Ramadan om de Schepping van hemel en Aarde te overdenken. De rest van het jaar regelde hij de zaken van zijn echtgenote en begeleidde karavanen door de woestijn.
God kiest altijd nederige, maar geen gewone mannen. Hij schenkt hen zijn licht, dat is zijn kennis, en Hij maakt hen tot gidsen, rolmodellen, voorbeelden, voor hen die kunnen denken en redeneren. Door Mohammad te kiezen, onderscheidde God een man die heel normaal en gewoon leefde, en Hij openbaarde hem, zoals aan alle Profeten, dat Hij zijn God Is, De God van alle mensen, van de hele schepping. Hij Heeft geen begin noch einde, Hij Is, Hij Was, Hij zal altijd Zijn; Hij is een verborgen Schat, Hij Schept en doet Zich Kennen. In de Korân wordt gezegd: ‘En als Wij een geest van Onze Opdracht aan u hebben Geopenbaard. U begrijpt niet wat er geschreven is, noch de zekerheid daarvan (geloof), maar Wij hebben het tot een licht Gevormd, Wij leiden daardoor wie Wij als Onze Dienaar Kiezen (…)‘ (Korân/Hoofdstuk 42, vers 52); ‘En u sprak niet eerder van iets wat geschreven was voor hij [de Korân] er was, en schreef deze niet met uw rechterhand (…)‘ (Korân/Hoofdstuk 29, vers 48).
God gaf hem het licht, de wetenschap uit de Korân, het Onderscheidende Boek (al-furqân): het Boek van God, om te doen toekomen aan de mensen. Met veel dank aan zijn vrouw, gewaardeerd door zijn familie en vrienden, geacht door zijn medeburgers werd Mohammad de bewaarder van de waarheid. Hij moest worden getest door het kwade en het goede, zoals alle Boodschappers en Profeten van God voor hem, zoals alle rechtvaardigen, zoals alle mensen. ‘En zeker het laatste [het hiernamaals] is beter voor u dan het eerste [het hier en nu] – En zekerlijk, van afstand zal uw Meester het u geven, zodat u tevreden zal zijn. – Heeft Hij u niet Gevonden als wees (van alles ontzegd), en u daarna beschut? – En heeft Hij u niet Gevonden toen u dwaalde, waarna Hij u Leidde? – En heeft Hij u niet Gevonden als speculant (handelaar), waarna Hij u Verrijkte? – Verdruk de wees (van alles ontzegd) dan ook niet – En weiger een bedelaar niet – En dat alles door de Genade van Uw Meester, verkondig die Boodschap.’ (Korân/Hoofdstuk 93, vers 4 tot 11).
Mohammad ontvangt een nieuw Openbarend Boek, de Korân. Dit zorgt voor geloofwaardigheid, herstelt en completeert eerdere openbaringen, doordat het overeenkomt met de Goddelijke Boodschap die door alle profeten in hun tijd en aan hun volk werd overgebracht. Hierdoor is Mohammad het zegel der Profeten, met hem wordt het Geloof, de Religie voltooid, het monotheïsme is permanent bevestigd. ‘Mohammad was niet de vader van een van uw mannen, maar de Gezondene van God, en het zegel der voorzeggers (profeten); en God was Wetende van alle dingen’ (Korân/Hoofdstuk 33, vers 40); ‘(…) Heden heb Ik uw geloof (religie) voor u voltooid en heb Ik mijn Genade volledig over u Gebracht, en Ik heb de Vrede (de Islâm) voor u aanvaard als geloof (religie) (…)’ (Korân/Hoofdstuk 5, vers 3); ‘Zeker het geloof (de religie) In God is de Vrede (de Islâm) (…)’ (Korân/Hoofdstuk 3, vers 19).
Het polytheïsme bleef vanaf de vroegste tijden op dominante wijze aanwezig, ondanks de opkomst van de monotheïstische religies, maar later nam het af, vooral omdat vandaag de dag, dankzij de ongekende ontwikkeling van de wetenschap en het centrale thema dat God de Enige is, zelfs en vooral onder de geleerden: ‘IN NAAM VAN GOD, DE OORSPRONG, DE BESCHIKKER. Zegt: ‘Hij is de Enige God – De Absolute God – Hij heeft niet geboren doen worden en heeft geen geboorte gehad – En Hij heeft voor Hem geen gelijke gehad, ook niet een’ (Korân/Hoofdstuk 112, vers 1 tot 4)
‘(…) Heden heb Ik uw geloof (religie) voor u voltooid en heb Ik mijn Genade volledig over u Gebracht, en Ik heb de Vrede (de Islâm) voor u aanvaard als geloof (religie) (…)’ (Korân/Hoofdstuk 5, vers 3). Dit vers ie het laatste dat geopenbaard wordt, het eindpunt van de Openbaring. De Islâm, als laatste geopenbaarde religie, was volledig en als zodanig geaccepteerd van die dag af. Elke latere aanvulling op deze openbaring hangt af van meerdere omstandigheden uit de geschiedenis van de moslims en kan niet beschouwd worden als deel van de canon van de Islâm. In tegendeel, dit is het suggereren dat de Religie niet compleet is tot en met de openbaring van dit vers, in tegenstelling tot wat bevestigd wordt.
Vanaf Adam, de eerste mens, tot Mohammad, zegel der Profeten, via Abraham, Mozes en Jezus, is de goddelijke Boodschap altijd dezelfde geweest, uitgevoerd in verschillende vormen en compleet gemaakt met de Islâm.
Met de Korân ontving Mohammad de laatste religie, maar wel dezelfde boodschap: God heeft u begiftigd met de rede, bestudeer het verleden en het heden, leer door wetenschap en geweten, observeer de hemel, de sterren, de aarde, de zee, het leven en de dood, zowel kleine als grote dingen. Wanneer u zult weten, zult u Hem kennen, daardoor kunt u getuigen dat er geen god is dan God, en zult u weten hoe u moet leven en waarom u leeft. U zult geen andere ‘goden’ aanbidden dan God de Enige en u zult hen niet dienen, u zult het goede doen en niet het kwade, u zult de Schepping niet bederven. U zult op deze wijze handelen, omdat u weet dat Hij God Is en dat Hij Degene is die Schept en Oordeelt.
‘God Is Het Licht van de hemelen en van de aarde. Het voorbeeld van Zijn Licht is als een haard; in hem is de lamp, de lamp is binnen een lantaarn, de lantaarn is als een lichtende ster, aangewakkerd door een Gezegende olijfboom, niet uit het oosten (noch schitterend) en niet uit het westen (noch mat), zijn olie schijnt te ontvlammen en [zelfs] wanneer een vuur het niet aangeraakt heeft; licht op licht. God Leidt door Zijn Licht wie Hij Kiest, en God Geeft voorbeelden voor de mensen; en God Is Wetend van alle dingen.’ (Korân/Hoofdstuk 24, vers 35) ‘Zekerlijk hebben Wij het geschrevene op u doen Neerdalen, voor de mensen, voor de waarheid; wie zich laat leiden, dit is voor hem het beste, en wie dwaalt, zal zeker in zichzelf dwalen; en u bent hen slechts tot lastgever.’ (Korân/Hoofdstuk 39, vers 41).
‘Richt uw aangezicht dan ook tot het geloof (de religie), keer u, op Gods Wijze, naar hetgeen Hij voor de mensen heeft Geschapen, er is geen verandering in de Schepping van God; dit is het juiste geloof (de religie), maar het grootste deel van de mensen weet dit niet.’ (Korân/Hoofdstuk 30, vers 30). De Islâm is een religie van goed en mooi werk, van evenwicht, van gematigdheid, maar ook van de wetenschap en kennis van God door zijn schepping. Een van de elementen, en zeker niet de minste, die de Korân van de eerdere openbaringen onderscheidt is zijn nadruk op de concepten van wetenschap en geweten. Bovendien is het eerste woord van de Openbaring aan Mohammad: ‘Iqra’ ! (Lees!)’; ‘Lees in de Naam van Uw Heer, Hij Die gemaakt heeft – Schiep de mens uit een hechtingsversterker – Lees, en Uw Meester is de Meest Overvloedige – Hij die de Kennis verspreidt door de schrijfriet – De Kennis verspreidt onder de mensen die deze niet kenden’ (Korân/Hoofdstuk 96, vers 1 tot 5).
De eerste man die als mens beschreven werd, is Adam en de eerste keer dat hij genoemd wordt in de Korân zegt God: ‘En Hij liet Adam de namen kennen, alle. (…) (Korân/Hoofdstuk 2, vers 31). Het is dus duidelijk dat in de Korân het begin van het menselijke wezen wordt gelieerd met de kennis. Het eerste van God dat Adam ontvangt is het kennen van alle namen, en de eerste opdracht van God aan Mohammad luidde: ‘Lees!’. De Boodschap van God voor de mens, sinds het begin tot aan Mohammad en tot aan het einde der tijden is: ‘Lees, leer, ken de schepping van God om God te kennen en overeenkomstig te handelen; dat wil zeggen goed en vriendelijk, omdat u geoordeeld zal worden. En de Dag der Opstanding: ‘(…) Zij aan wie de kennis is Overgedragen zeiden: ‘Zekerlijk, op deze dag is er vernedering en de schandvlek is op hen die kwaadspreken.’ (Korân/Hoofdstuk 16, vers 27); ‘En zij aan wie de kennis en de verzekering (geloof) is overgedragen, zeiden: “U bent zekerlijk overgebleven tot de dag der opstanding, naar het Geschrift van God, en dit is de dag der opstanding; maar u wist het niet.”’ (Korân/Hoofdstuk 30, vers 56). Dat zegt in zekere zin dat het weten de eerste opdracht van God is binnen de Islâm.
In de Korân zijn er veel verzen die het denken en de rede op waarde schatten en geleerden aanhalen: ‘(…) verhaal dan het verhaal; misschien zullen zij erover denken!’ (Korân, Hoofdstuk 7, vers 176); ‘(…) en deze voorbeelden Passen Wij toe voor de mensen; misschien zullen zij erover denken!’ (Korân/Hoofdstuk 59, vers 21); ‘(…) zoals Wij de tekenen tot in detail Uitwerken, voor een gemeenschap [van hen] die denken’ (Korân/Hoofdstuk 10, vers 24); ‘(…) Zoals God de tekenen voor u Verduidelijkt (verzen); misschien zult u erover denken!’ (Korân/Hoofdstuk 2, vers 219); ‘Zij die God gedenken, terwijl zij staan, zitten of liggen, en de schepping van de hemel en de aarde overdenken: “Onze Meester! U heeft dit niet voor niets geschapen; Glorie aan U!  Bescherm ons dan voor de kwelling van het vuur”’(Korân/Hoofdstuk 3, vers 191).
‘Hij is het Die de brandende zon geschapen heeft en de lichtende maan en Hij mat de afstand; zodat u het aantal jaren en de berekening zou weten; God heeft dit door niets anders dan het ware Geschapen; Wij Werken de tekenen tot in detail uit, voor een gemeenschap [van hen] die denken’ (Korân/Hoofdstuk 10, vers 5); ‘En van Zijn Tekenen: de schepping van de hemelen en de aarde, en het onderscheid van uw talen en uw kleuren; dit zijn zekerlijk tekenen voor de [kringen van] wetenden’ (Korân/Hoofdstuk 30, vers 22); ‘en deze voorbeelden Passen Wij toe voor de mensen, en niemand begrijpt ze dan de wetenden’ (Korân/Hoofdstuk 29, vers 43); ‘Zijn Dienaren die weten, begrijpen God; zekerlijk, God is Groot en Vergevingsgezind’ (Korân/Hoofdstuk 35, vers 28); ‘Het zijn duidelijke tekenen in de harten van degenen aan wie het weten Overgedragen is; en Onze Tekenen worden niet ontkend dan door de duisteren (de onrechtvaardigen)’ (Korân/Hoofdstuk 29, vers 49); ‘(…) God Verhoogt hen die verzekerd zijn (geloven) en hen aan wie het weten Overgedragen is in graden; en God Weet alles van wat u werkt.’ (Korân/Hoofdstuk 58, vers 11).
‘En zij aan wie de kennis en de verzekering (geloof) is overgedragen, zeiden: (…)’ (Korân/Hoofdstuk 30, vers 56). In dit vers gaat het woord ‘kennis’ vooraf aan het woord ‘geloof’. Beiden moeten als gelijkwaardig gezien worden, als één met elkaar. In feite is het resultaat van de kennis, in combinatie met het geloof, vrede, sereniteit, een vredig, gezond en heilig hart. Zonder kennis of begrip is elke vorm van geloof onderworpen aan de omgeving en de gevoelens die tot het beste of het slechtste kunnen leiden; de Geschiedenis bewijst ons dat.
Bovendien moet men om Moslim te zijn getuigen dat er geen andere god is dan God. En om een echte getuige te kunnen zijn, om te kunnen getuigen van de waarheid, de werkelijkheid, is er een weten, een kennis van de feiten en de dingen nodig. Deze verworven kennis geeft toegang tot het geloof door de rede en door het hart, men wordt nederig in vrede van en liefde tot God, men weet waar men vandaan komt en waar men heengaat, men handelt uit goedheid en liefdadigheid, men onderscheidt het goede van het slechte, het ware van het valse. ‘En zij aan wie de kennis overgedragen is, zullen weten dat het de Waarheid van Uw Meester is, opdat zij hierdoor verzekerd zijn (geloven), en hun harten beteugelen voor hem; en God Is Zekerlijk Gids voor hen die verzekerd zijn (geloven) naar een recht pad’ (Korân/Hoofdstuk 22, vers 54).
In tegenstelling tot de Bijbel en de meeste andere heilige boeken, die de geschiedenis van de schepping, de wereld, de mens, de Profeten en de Boodschappers op chronologische wijze verhalen, vertelt de Korân, met uitzondering of bij wijze van uitzondering Jozef, de gebeurtenissen niet aan één stuk, in een bepaald hoofdstuk, maar gefragmenteerd en zonder lijn gepresenteerd, in het geheel van de corpus. Het gaat ten diepste niet om het vertellen van de historische feiten op zich, maar om het stimuleren van het onderzoek, de analyse en het wetenschappelijk denken, dat de ziel van de Islâm stimuleert. In tegenstelling tot wat sommigen denken en verkondigen is de Korân geen geschiedenisboek, noch een burgerlijk wetboek of een wetboek van strafrecht, in de letterlijke zin van het woord. Het diepe inzicht ervan vereist een sterke multidisciplinaire analyse, met behulp van een verrekijker, een vergrootglas, en een microscoop. Het is de Openbaring van God, Zijn Woord gericht aan de menselijke rede en redenering.
‘En zekerlijk Wij hebben ieder voorbeeld reeds Aangepast voor de mensen in deze Korân (met bazuingeschal), maar de meeste mensen volharden [nergens in dan] in laster’ (Korân/Hoofdstuk 17, vers 89); ‘Wanneer we deze Korân (met bazuingeschal) hebben doen Neerdalen op een berg, dan had u deze zekerlijk zien eerbiedigen, gespleten door de vreze Gods; en deze voorbeelden Passen Wij toe voor de mensen; misschien zullen zij erover nadenken!’ (Korân/Hoofdstuk 59, vers 21).
Van alle Eigenschappen die God Zichzelf toegeschreven heeft in de Korân, wordt die van Heer der Werelden bijzonder vaak herhaald, namelijk tweeënveertig keer in deze vorm. Het benadrukt de universaliteit van de Islâm, de religie waartoe alle mensen genodigd zijn. God is niet de Heer van de hemel en aarde alleen, Hij is de Heer der Werelden: van de hemelen, de aarde en alles wat daar tussen zit. Deze verklaring, gedeeltelijk voortgekomen uit het begrip van de vroege moslims, krijgt alle betekenis in het licht van de moderne wetenschappen. ‘Farao zei: “En wat is deze Heer der werelden?” – Hij [Mozes] zei: “De Heer der hemelen en der aarde en van alles wat daar tussen is; waart gij daar maar zeker van!”‘ (Korân/Hoofdstuk 26, vers 23-24); ‘Zeker, Uw God is Zekerlijk Eén – De Heer der hemelen en der aarde en van alles wat daar tussen is; en de Meester van het oosten (van de schittering)‘ (Korân/Hoofdstuk 37, vers 4-5).
Te midden van miljarden sterren- en zonnestelsels, waar wetenschappers zich nog steeds afvragen of er andere levende wezens zijn in het Universum, bevestigt de Korân: ‘En voor God boog zich alles wat leefde, in de hemelen en op de aarde, en de engelen (bezitters) en zij zijn niet trots – Zij vrezen Hun Heer die boven hen is, en zij doen wat hen Opgedragen is’ (Korân/Hoofdstuk 16, vers 49-50).
Meer dan veertienhonderd jaar geleden Openbaarde God in de woestijn aan Mohammad dat dit Boek, de Korân, deze herinnering die Hij zendt tot de mensen, niet zal veranderen, omdat Hij God is die Bewaart. En inderdaad wordt de Korân vandaag door (wetenschappelijke) specialisten meer dan ooit beschouwd als het meest bewezen heilige boek. ‘Zekerlijk Wij, Wij hebben de gedachtenis doen Neerdalen en Wij Zijn zeker de Bewaarders daarvan.’ (Korân/Hoofdstuk 15, vers 9). Dit gedaan hebbende, rest ons alleen nog om tot de kern van de boodschap te komen: ‘Zeker, de Korân (met bazuingeschal) is een overvloedig boek – In een beschermd geschrift – Slechts de zuiveren mogen deze aanraken – Neerdaling van de Heer der werelden’ (Korân/Hoofdstuk 56, vers 77 tot 80); ‘De Korân (met bazuingeschal) is eerder prestigieus – In een werkelijkheid bewaard’ (Korân/Hoofdstuk 85, vers 21-22).
In de tijd van de Profeet had iedere beschaving zijn eigen waarden en de begrippen van goed en kwaad waren per volk verschillend. De mensheid heeft sinds de tweede helft van de twintigste eeuw een hoge mate van beschaving en kennis bereikt; de wetenschap en technologie maakten een ongekende groei door. Maar wat betreft de feilbaarheid van de mens: hoewel het decor is veranderd, is de mentaliteit over het algemeen hetzelfde gebleven. Verdorvenheid en kwaad voeren nog steeds de boventoon en worden ook wel genoemd: onrechtvaardigheid, massamanipulatie, obscurantisme, ellende, oorlogen, massamoorden, crises en illegale handel op allerlei gebied, de verslechtering van het milieu, het uitsterven van diersoorten, vervuiling, klimaatverandering… ‘De verdorvenheid heeft zich geuit in de bodem en de oceaan, doordat dit hen is aangedaan door mensenhanden, opdat Hij hen een deel zou doen Proeven van wat zij hebben gedaan; misschien zouden zij terugkeren!’ (Korân/Hoofdstuk 30, vers 41)
Vandaag de dag zijn de Islâm en moslims een spookbeeld voor de wereld geworden, meestal wordt er niet anders over gepraat dan in termen van oorlog terrorisme, immigranten of migranten. In Afrika, Azië, Zuid-Amerika en elders in de wereld zijn hele bossen verwoest, meren en rivieren opgedroogd, land en dorpen verdwenen, volledige bevolkingsgroepen verdreven. Miljoenen mensen leven onder de armoedegrens, honderdduizenden zijn het slachtoffer van hongersnood, moord, ontvoering, orgaanhandel. Miljoenen vrouwen worden geslagen en mishandeld, honderdduizenden kinderen zijn slaven… Daar praten we niet over zodra de gruwelen een drempel overschrijden; of we praten over de voetbalwereldkampioenschappen wanneer de gelegenheid zich voordoet.
Een andere paradox is dat, terwijl de Islâm zich schijnt uit te breiden op wetenschappelijk gebied, de huidige moslimwereld, ver van het zijn van een voorbeeld om te volgen, op drift is. Deze twee constanten zijn voldoende om te bewijzen dat de Islâm zich onderscheidt door zijn goddelijke oorsprong, moslims die zwak zijn door de natuur. En er wordt gezegd in de Korân: ‘God Wil dat Hij Duidelijk Is voor u en Hij Wil u Leiden, zoals degenen voor u, en Zijn oordeel over u Herzien; en God is de Alwetende, de Rechter – En God wil [niet anders dan] Zijn oordeel over u Herzien, en zij die hun eigen begeerten volgen, willen dat u afwijkt met een enorme afwijking – God wil [niet anders dan] verlichting voor u, en de mens werd zwak Geschapen’ (Korân/Hoofdstuk 4, vers 26 tot 28).
De Islâm manifesteert zichzelf, al is het maar slechts numeriek, met meer dan 1,5 miljard gelovigen op aarde en met een toename van mensen die het geloof omarmen, zal het uiteindelijk de eerste religie op de planeet worden. De vooruitgang van de Islâm, in contrast met de verwording van sommige Moslims, kan worden verklaard door de universaliteit van de oorspronkelijke boodschap, die niet de wisselvalligheden omvat waarmee Moslims nu al eeuwen worden geconfronteerd. ‘Hij Is Het Die zijn Gezondene heeft Gezonden door leiding en geloof (religie) in het ware, om deze te laten uitstijgen boven andere geloven (religies); en [zelfs] wanneer dit tegen de verenigden ingaat’ (Korân/Hoofdstuk 61, vers 9).
Tegelijkertijd zien we charlatans (الدجال) hun werk doen in de hele wereld. Zij worden gekenmerkt door valse voorwendselen van deugdzaamheid en vroomheid. Vele geloven hierin, totdat het licht van de kennis, zichzelf onherroepelijk manifesteert en het mogelijk maakt deze duistere en kwade krachten te verblinden. In de naam van de islam worden, na de vertekening daarvan door onverschilligen, fanatici en bedervers van het geloof, rustig in de schande de meest verschrikkelijke misdaden gepleegd tegen God en de mensheid. De Islâm wordt hierbij vertekend, evenals de moraal en universele waarden, zij zaaien tweedracht, haat tegen de ander en zorgen voor geweld en sektarisme. Hoewel het niet kan worden ontkend dat deze demonische criminelen de hele beschaving in het vizier hebben en bedreigen, zijn Moslims het eerste slachtoffer van hun nachtmerrieachtige theorieën en praktijken.
Sommige, die op een dwaalspoor zijn, besteden hun tijd aan vechten met elkaar, vaak op de meest serieuze manier die denkbaar is. Beide partijen claimen: God is groot! Beide kampen pretenderen in de naam van God te handelen. Ze zijn vaak in een staat van geestelijke verwarring door onwetendheid, vervolging, obscurantisme, bijgeloof en geweld. Vele zijn gijzelaars of speelballen geworden van een achterhaald dogmatisme en verleden. Wat kunnen we anders zeggen dan: ‘Lâ ḥawla wa lâ quwwata illâ billâh, er is geen sterkte nog kracht dan in God alleen.’? ‘Zeg: O, vrienden van de schrift! Raast niet in uw geloof (religie), anders dan de waarheid, en volg de neigingen niet van een gemeenschap [van hen] die reeds afgedwaald zijn en velen deden dwalen. En zij zijn afgedwaald van de rechte weg’ (Korân/Hoofdstuk 5, vers 77).
Na de dood van de Profeet in 632 en de grote onderdrukking van 656-680 (eerste onenigheid en burgeroorlog onder de moslims), komen de voornaamste oorzaken van de verwijdering en verdeling van de moslimgemeenschap sinds eeuwen voort uit puur politieke conflicten en uit de grote invloed die deze hebben op de reeds verzamelde tradities van oude volken en gezegden, daden en handelingen van de Profeet (de Salaf, ‘voorgaande’, dit slaat op de moslimdoctoren van de eerste eeuwen, ‘de Hadîth, ‘uitgesprokene’, dit slaat met name erop wat de Profeet heeft gezegd, en de sunnnah of sîrah, ‘manier’ of ‘weg’, de traditie van de Profeet beschrijvend: dat wat verbonden is aan zijn weg, zijn daden en handelingen). In principe interpreteert elke stroming de Korân en de Islâm naar wat het zoekt in deze verzameling, wat ruimte geeft voor interpretaties, theologisch en rechtelijk, in feite op sociopolitieke wijze, vaak met tegenstrijdige uitkomsten. De historici die alle methodes vermengen en zijn toegespitst op uitdrukkingen (specialisten van de gezegden die zijn toegewezen aan de Profeet) inbegrepen, discussiëren ook vandaag nog over de historische waarde van deze tradities. Ondanks dit wordt de Korân genegeerd en wordt deze de oorzaak van de verwijdering tussen vele moslims.
De wetenschappelijke analyse van het geheel van deze verzameling van tradities, die teruggaan tot 150 tot 255 jaar na de dood van de Profeet, leren ons dat deze geen concrete garantie bieden voor de authenticiteit, de nauwkeurigheid en nog minder voor de juistheid van de gegevens. Deze zijn samengesteld vanuit diverse kanalen van mondelinge overdracht en vormen slechts een ruwe benadering van historische feiten. In het begin waren het er enkele honderden, maar in minder dan een eeuw hebben ze zich vermenigvuldigd tot duizenden. De narratologie toont ons aan dat de meest oude van deze verhalen ontstonden aan het einde van de 7e en aan het begin van de 8e eeuw (na 680), wat samenviel met het einde van de burgeroorlog. In deze tijd ontstonden de diverse stromingen van het politieke, theologische en rechtelijke denken, die de basis vormen van alle tradities van de moslims.
Deze verzameling van tradities is dan ook in overeenstemming met vele gebeurtenissen en omstandigheden die moslims meemaakten na de dood van de Profeet en vertegenwoordigen ideologische, politieke en sociologische opvattingen die gerelateerd zijn aan hun tijd. De afgedwaalden en tegenstanders van de Islâm profiteren van deze tradities vanwege de twijfelachtige inhoud en maken er gebruik van door eruit te halen wat hun doelen ondersteunt; en op deze manier vervormen en vertekenen zij de Islâm. Sterker nog, sommige lezingen in deze verzameling interpreteren de Korân op grove wijze, gaan juist eerder tegen de letterlijke en allegorische betekenis van deze verzen in, en wijzen aan de Profeet uitspraken, gedrag en handelingen toe die volledig in strijd zijn met zijn karakter en de Boodschap van de Islâm.
‘Zekerlijk, God Geeft de opdracht door gelijkheid en uitnemendheid en de verhouding tot verwanten, en Hij Bestraft zedeloosheid en verwerpelijkheid en opstandigheid; Hij Onderricht u; misschien zult u het uzelf herinneren!’ (Korân/Hoofdstuk 16, vers 90); ‘En wees niet zoals zij die verdeeld zijn en van mening verschillen, nadat zij duidelijkheid verkregen hadden; en zij zullen een zware straf krijgen’ (Korân/Hoofdstuk 3, vers 105). ‘(…) en weest niet als hen die meerdere goden dienen – Zij die hun eigen geloof (religie) verdeeld hebben en elk als groep voorstanders werden van wat bij hen was, daarmee tevreden’ (Korân/Hoofdstuk 30, vers 31-32) Velen hebben zich verschanst in meerdere partijen, zwijgend in de ban doende, de oorspronkelijke en universele boodschap van de Islâm terzijde latend, de Korân interpreterend zonder uit zijn bron te drinken, doordat zij het hart verloren en vergeten zijn, door twijfelachtige en discutabele tradities. ‘En er zijn mensen die over God twisten door een gebrek aan kennis, leiding en verhelderende geschriften’ (Korân/Hoofdstuk 22, vers 8).
Zonder echt rekening te houden met de oorspronkelijke boodschap van de Islâm, en nog minder met de historische en sociologische gegevens of feitelijke omstandigheden van tijd, plaats, oorzaak en doel daarvan, blijven de traditionalisten maar de hadîth herhalen, om, zoals de Profeet zou zeggen, hun eigen ideologieën en interpretaties van de Korân te legitimeren. God zegt echter: ‘En hij redeneert niet door de begeerte – Het is slechts de openbaring die wordt Geopenbaard’ (Korân/Hoofdstuk 53, vers 3-4). Uit deze verzen maken we op dat we hetgeen aan de Profeet werd geopenbaard door God, te weten de Korân, niet kunnen zien als redeneringen van de Profeet zelf. In principe wordt het gebod ‘Spreek!’ 332 keer door God herhaald in de Korân (in de meesten gevallen gericht aan de Profeet). Deze goddelijke opdracht die zovele malen wordt herhaald is inherent aan het constante overbrengen van de goed gehoorde (goed begrepen) boodschap. Wat de Profeet op zekere wijze gezegd heeft, is dat God hem de opdracht heeft gegeven om te spreken door de openbaring, in de Korân. ‘Deze Tekenen (Verzen) van God Verbinden Wij aan u door de waarheid, door welk uitgesprokene (hadîthin) dan God en Zijn Tekenen (Verzen) zijn zij anders verzekerd (geloven zij)?’ (Korân/Hoofdstuk 45, vers 6).
Volgens de sunnah, vinden we de traditie, de manier van doen en handelen van de Profeet ook en dan op meer authentieke wijze in de Korân. Hij wordt hierin aangeduid als een erg creatieve man met een moraal, hieraan gerelateerd vinden we ook wat gezegd of gedaan moet worden; hoe de Korân verbreid moet worden, en hoe het hoofd geboden kan worden aan situaties die zich voordoen… De Korân specificeert zelfs hoe men zich moet gedragen, hoe men moet omgaan met zijn familie, zijn adoptiezoon, de gelovigen en de mensen in het algemeen, huwelijken en scheidingen daarin begrepen. Het woord ‘sunnah’, manier, wordt zestien keer in de Korân genoemd (veertien keer in het enkelvoud, twee keer in het meervoud), met betrekking tot God of de ouden voor de Profeet, niet een keer met betrekking tot Mohammad zelf. Dat wil zeggen dat wanneer een hadîth, sunnah of sîrah van de Profeet wetenschappelijk bewezen is, deze waarschijnlijk in het licht van de omstandigheden gezien moeten worden.
Laten we daarom refereren aan het Boek van God, voor alle moslims. Er is een niet tegen te spreken vers, waarmee absoluut rekening moet worden gehouden voor een betere benadering van de Korân: ‘Hij Is Het Die het geschrift voor u heeft doen Neerdalen, waarin de Toegekende (besliste) tekenen (verzen), de moeder van het geschrevene vormen en anderen zijn veelduidig; maar degenen die in hun harten boosheid dragen, volgen wat meerduidig is, zorgen voor verdeeldheid en verbreken de eenduidigheid; en niemand Kent de ware betekenis dan God en de verankerden weten dit en zeggen: “Wij zijn hierdoor verzekerd (geloven) dat alles van Onze Meester is”; en zij herinneren zich niet dan de eersten der kwintessen’ (Korân/Hoofdstuk 3, vers 7).
Dit vers is verre van triviaal, maar helder en nauwkeurig, vooral voor de geleerde die het geheel van de corpus bestudeert. De aandacht wordt getrokken door twee niveaus van analyse van de Korân, allebei even belangrijk, op het gebied van zinnen en het zinsniveau overschrijvend. De eerste betreft met name het Boek zelf, onveranderlijk en tijdloos, de basis van de oorspronkelijke boodschap van de Islâm. De tweede gaat over zijn toepassingsvorm, wat meerdere betekenissen suggereert, afhankelijk van tijd, plaats, oorzaak en doel.
God heeft het voortreffelijkste Woord doen Neerdalen, een veelduidig gesplitst geschrift, welke de huid van hen die Hun Meester vrezen prikkelt en vervolgens hun huid en hart verzacht voor de Gedachtenis aan God; dit is de Leiding van God, Hij Leidt door wie Hij ook Kiest; en voor wie van God afdwaalt, is er geen gids.’ (Korân/Hoofdstuk 39, vers 23).
De Islâm predikt gematigdheid in alles en voor alles, verre van extremisme en extremen:  ‘En Wij hebben u Gevormd als gematigde natie, zodat u getuigen kan zijn voor de mensen en dat de gezondene getuige zal zijn voor u (…)’ (Korân/Hoofdstuk 2, vers 143); ‘En sterk u in God in Zijn Ware Sterkte, Hij heeft u Ontvangen, en Hij heeft het geloof (de religie) niet zwaar op u gelegd; de genegenheid van uw vader Abraham, hij noemde u de ‘vredige (moslims)’ voorheen; en hierin mag de gezondene een getuige voor u zijn en zult u getuigen voor de mensen’ (Korân/Hoofdstuk 22, vers 78) ‘God Wil het eenvoudig voor u maken en wil het niet moeilijk voor u maken (…)’ (Korân/Hoofdstuk 2, vers 185). De moslims moeten terugkeren naar de oorspronkelijke boodschap van de Islâm, die van gisteren, vandaag en morgen. Zij dienen opnieuw te beginnen als een gemeenschap van evenwichtigheid, een gemeenschap van “Iqra’ “, van ‘Verbind en Lees’ door de Kennis van God.
Zij moeten in de eerste plaats loskomen van de gevoelloosheid en angst die hen verpletteren en alles en allen die door haat en geweld hun religie vervormen krachtig aan de kaak stellen. Het is hun verantwoordelijkheid om te ontwaken en de oorspronkelijke Islâm te herstellen voor de ogen van de wereld. Het geloof in God is onlosmakelijk verbonden met het goede en mooie werk, evenredig aan elkaar. ‘U vormde de beste natie, Voortgebracht uit de mensen: u gebiedt het goede en verwerpt het slechte en u bent verzekerd (gelooft) in God. En als de vrienden van de schrift verzekerd zouden zijn (zouden geloven), dan zou dit waarlijk beter voor hen zijn; zij, waaronder verzekerden (gelovigen) en voor het grootste deel goddelozen’ (Korân/Hoofdstuk 3, vers 110); ‘En de tijd! – Zeker, de mens is zeker zinkende – Met uitzondering van hen die verzekerd zijn (geloven) en hervormingen worden, en worden aangestuurd door De Waarheid en worden aangestuurd door geduld’ (Korân/Hoofdstuk 103, vers 1 tot 3).
De mens, met al zijn kennis, voelt de behoefte om zijn ziel te ervaren, zijn spirituele zoektocht eist antwoorden. Maar de golf van sektes die geïnspireerd werden door joods-christelijke of extreem-oosterse godsdiensten, afgeleid van het boeddhisme of hindoeïsme is weggeëbd. Men heeft geprobeerd om het materialisme te verbinden met spiritualiteit en andersom, maar het leverde geen resultaat op. Dit zal ook het geval zijn met het geïndoctrineerde sektarisme van de dwalende moslims. In tegenstelling, de Islâm zal met zijn oorspronkelijke en originele boodschap de mens zijn menselijkheid en de reden van zijn bestaan doen ontdekken; zo is zijn universele roeping. ‘En wie God ook beschermt, Hij Vormt voor hem een uitweg – En Hij Voorziet hem in wat hij niet kan verwachten, wie er ook een beroep doet op God, omdat Hij Zijn Voorziener is; zeker zal God Zijn Opdracht doen Slagen; God heeft voor alles een maat Gevormd’ (Korân/Hoofdstuk 65, vers 2-3)

 

 

Farid Gabteni
De Zon rijst in het Westen (8e editie – 2017), SCDOFG

 

Vereniging voor het Behoud en de Verspreiding van het Werk van Farid Gabteni